Eicel en Embryo
biopsie
Door: S. Gordts,
L. Gianaroli*, C. Maggli*, B. Vandamme, R. Campo
(*S.I.S.M.E.R.. Via Mazzini 12, 40138 Bologna)
Indicaties
De technieken van
eicel en embryo biopsie kunnen gebruikt worden voor de volgende groepen
van patiėnten:
- Koppels die drager
zijn van een genetische aandoening die aan hun nageslacht kunnen worden
doorgegeven. Tabel 1 geeft een niet tentatief overzicht van de lijst
van zulke aandoeningen die echter continu wordt bijgewerkt.
- Patiėnten met
fertiliteitproblemen en met een ongunstige prognose. Hierbij gaat
het voornamelijk om koppels waarvan de vrouw ouder is dan 38 jaar
en/of een voorgeschiedenis van 3 of 4 gefaalde IVF – (ICSI) behandelingen.
- Patiėnten die
drager zijn van een chromosomale translocatie. Een translocatie bestaat
uit een abnormale positie van een korter of langer fragment van een
bepaald chromosoom waarbij deze laatste zich vastzet op een ander
chromosoom. Dit kan leiden tot de geboorte van kinderen met ernstige
chromosomen afwijkingen. Meestal gaan deze translocaties echter gepaard
met een probleem van onvruchtbaarheid of herhaald miskraam. Medisch
gezien worden deze translocaties ingedeeld in Robertsoniaanse translocaties
en reciproque translocaties. (Tabel 2)
- Patiėnten met
een voorgeschiedenis van herhaald miskraam en waarbij geen andere
mechanische oorzaken kunnen worden gevonden zoals bepaalde afwijkingen
van de baarmoeder.
Historiek
In het midden van
de jaren tachtig opperde voor de eerste maal Alan Trounson van Melbourne
de mogelijkheid voor het verwijderen van een enkelvoudige cel uit een
8-cellig embryo voor verder genetisch onderzoek zonder schade toe te
brengen aan het embryo. Deze mogelijkheden werden uitgetest op muizenembryo’s.
In het begin van de jaren negentig beschreven Alan Handyside en Lord
Robert Winston van het Hammersmith hospitaal in Londen het tot stand
komen van de eerste zwangerschap na embryo biopsies voor genetische
aandoeningen. In 1995 verfijnde Santiago Munné een techniek die toelaat
een telling van het aantal chromosomen uit te voeren op één enkelvoudige
cel. Door het gebruik van deze techniek bleek al gauw dat bepaalde categorieėn
van patiėnten bestonden met een zeer hoge incidentie van genetisch abnormale
embryo’s waarbij er bij herhaling geen implantatie of zwangerschap optrad
na embryotransfer. Rond hetzelfde ogenblik onderzocht Yuri Verlinski
in Chicago de mogelijkheden voor het onderzoek van het genetisch materiaal
van het eerste poollichaampje, een bijproduct van de niet bevruchte
eicel. Deze techniek is minder invasief dan de biopsie van het embryo,
maar heeft het nadeel dat de onderzochte cel nog kleiner is en dat bij
dit onderzoek mogelijke genetische afwijkingen geļnduceerd door de mannelijke
zaadcel niet worden onderzocht. Sinds 1997 komt het gebruik van deze
technieken in een stroomversnelling met verschillende publicaties in
internationale tijdschriften. Op dit ogenblik bestaan twee international
organisaties die zich specifiek met deze tak van de reproductieve geneeskunde
bezig houden: de International Working Group on Preimplantation Genetic
Diagnosis en het consortium van Preimplantation Genetic Diagnosis van
de European Society of Human Reproduction. Beide groepen houden regelmatig
vergaderingen voor besprekingen van de resultaten en updating van de
nieuwste ontwikkelingen in dit domein.
Techniek voor
het uitvoeren van biopsies
Eicel biopsie
Eicel biopsie wordt
uitgevoerd door het verwijderen van het eerste en/of tweede poollichaampje.
Het eerste poollichaampje, welke een set bevat van 46 chromosomen, wordt
door de eicel uitgestoten voor de bevruchting om plaats te maken voor
de 23 chromosomen van de zaadcel. Het tweede poollichaampje wordt door
de eicel uitgestoten na de bevruchting. Na opening van de zona pellucida
kan door gebruik van een zeer dunne glazen micronaald het eerste en/of
tweede poollichaampje worden verwijderd, waarna het kan worden voorbereid
voor verder onderzoek.
Embryo biopsie
Embryo biopsie wordt
uitgevoerd drie dagen na de inseminatie. Op dat ogenblik bevindt het
embryo zich in een acht-cellig stadium. De techniek kan vergeleken worden
met de voorgaande, maar dient met de grootste omzichtigheid te worden
uitgevoerd om de naburige cellen niet te beschadigen. Indien de techniek
op een correcte manier wordt uitgevoerd, zal geen schade worden toegebracht
aan het embryo zoals mag blijken uit verschillende dierexperimentele
en humane studies. Na verwijdering zal de cel (blastomeer) voorbereid
worden voor verder onderzoek.
|
Eicel
biopsie
|
|
|
|
|
Fig.
1: Niet bevruchte eicel met aanwezigheid van eerste poollichaampje
(op 10 uur).
|
Fig.
2: Verwijderen van eerste poollichaampje.
|
|
|
|
|
Fig.
3 en 4: Biopsie van het tweede poollichaampje wordt uitgevoerd
op een bevruchte eicel zoals blijkt uit de aanwezigheid van de
twee centrale kernen of pronuclei. Aan de linkerkant bemerkt men
de holding pipet voor fixatie van de bevruchte eicel terwijl met
de biopsiepipette (rechts) het tweede poollichaampje wordt verwijderd.
|
|
Embryo
biopsie
|
|
|
|
|
Fig.
5: Embryo biopsie wordt uitgevoerd door verwijdering van één
enkele cel (blastomeer) uit een acht cel embryo. Het embryo wordt
gefixeerd door de holding pipet (links). Deze foto toont het maken
van een kleine opening in het membraan dat het embryo omgeeft;
hiervoor wordt een speciale oplossing gebruikt die wordt aangebracht
dicht bij de te verwijderen cel.
|
Fig.
6: Eens het membraan is geopend wordt een micropipet gebruikt
met een iets grotere diameter. Deze wordt doorheen de opening
tot bij de te verwijderen cel gebracht. Door middel van een lichte
suctie wordt de cel vervolgens verwijderd.
|
|
|
| Fig.
7: Deze foto toont de verwijderde cel (blastomeer) waarop de
verdere onderzoekingen zullen worden uitgevoerd. |
Het verdere onderzoek
Eens de cel verwijderd
kunnen de verdere onderzoekingen gebeuren. Hiervoor worden hoofdzakelijk
gebruik gemaakt van twee technieken: de FISH techniek (Fluorescent In
Situ Hybridization) en de PCR techniek (Polymerase Chain Reaction).
FISH
Deze techniek wordt
gebruikt voor identificatie van de chromosomen en detectie van numerieke
afwijkingen. De techniek verloopt in verschillende stappen waarbij de
kleine hoeveelheid DNA van de celkern van de verwijderde cel in contact
wordt gebracht met een grotere hoeveelheid DNA op een specifieke manier
gekleurd door fluochromes waarvan de kleur gerelateerd is aan het te
onderzoeken chromosoom. Eens dat de celkern op een adequate manier is
voorbereid kan dan het verdere microscopisch onderzoek bij middel van
een fluorescentie microscoop worden uitgevoerd. Hierbij kan het onderzoek
van verschillende chromosomen worden uitgevoerd, die worden geļdentificeerd
door hun specifieke kleur.
PCR
Deze techniek wordt
gebruikt voor het onderzoek van kleine stukjes van chromosomen zoals
enkelvoudige genen, stukjes van een enkelvoudig gen of specifieke gen
sequenties. Hiervoor wordt een gesofisticeerd systeem gebruikt, waarvoor
de uitvinder trouwens een Nobelprijs won, waarbij de kleine hoeveelheid
DNA van de enkelvoudige cel wordt meerdere male worden geamplificeerd
(vermenigvuldigd) zodat een grotere hoeveelheid DNA beschikbaar wordt
voor onderzoek.
| FISH |
 |
 |
|
13
16
18 21
|
X
1
15
|
|
Fig.
8 en 9: Visualisatie van verschillende chromosomen zoals gezien
door de fluorescentie microscoop: twee signalen van elk chromosoom
worden gevisualiseerd: 13 (rood), 16 (blauw), 18 (paars), 21 (groen)
en 22 (geel). Na het eerste onderzoek wordt dezelfde cel aan een
tweede behandeling (hybridisatie) onderworpen waardoor twee signalen
kunnen worden waargenomen van chromosoom X (blauw), 1 (rood) en
15 (groen).
|
|
PCR
|
 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
|
|
|
|
|
| Fig.
10: Door gebruik te maken van de PCR techniek werd de gen sequentie
voor cystische fibrose versterkt. De drie signalen links tonen de
amplificatie. De vierde band is een controle waarbij de versterkte
band wordt gezien bij correcte handeling. Deze band zal afwezig
zijn in de vijfde band welke de negatieve controle is. |
Accuraatheid
van deze nieuwe technieken
Voor zover tot op
heden gekend zijn deze technieken effectief bij 90-93 % van de patiėnten.
Mogelijks kan dit oplopen tot 100% indien zich nieuwe technologieėn
zouden ontwikkelen. Tot op heden kan deze techniek zeker niet beschouwd
worden als een vervanging van de prenatale diagnose (vlokkentest of
vruchtwaterpunctie) maar eerder als een aanvulling ervan. Inderdaad
zal door het uitvoeren van deze techniek de kans dat er zich abnormale
embryo’s gaan inplanten in de baarmoeder gereduceerd worden met 90%
of wordt de kans gereduceerd in geval van infertiliteit dat embryo’s,
die niet zullen inplanten, worden teruggeplaatst. Belangrijk is echter
te weten dat er enige discrepantie beschreven is tussen de resultaten
van het pre-implantatie onderzoek en een latere prenataal onderzoek
(referenties).Gezien
de zeer minimale discrepantie bewijst dit enerzijds de efficiėntie van
deze techniek, maar anderzijds benadrukt het nogmaals eens de noodzakelijkheid
van een bijkomende prenatale diagnose ter bevestiging van de laboresultaten.
| Tabel
1. Overerfbare afwijkingen welke door genetisch onderzoek na
eicel of embryo biopsie kunnen worden gediagnosticeerd. |
| Achondroplasia
|
Central
core disease |
| Agammaglobulinemia |
Gaucer’s
disease |
| Sickle-cell
anemia |
Huntington’s
disease |
| Fanconi’s
anemia |
Alport’s
disease |
| Spinal/bulbar
muscular atrophy |
Tay-Sachs’
disease |
| Alpha1-
antitrypsin deficiency |
MELAS |
| Long
chain hydroxyacyl CoA dehydrogenase deficiency |
X-linked
myotubular myopathy |
| Ornithine
transcarbamilase deficiency |
Neurofibromatosis
I and II |
| Deficiency
of the mitochondrial trifunctional protein |
Multiple
endocrine neoplasia type II |
| Multiple
epiphyseal dysplasia |
Osteogenesis
imperfecta I and IV |
| Myotonic
dystrophy |
Familial
adenomatous polyposis coli |
| Becker’s
muscular dystrophy |
Rhetinitis
pigmentosa |
| Duchenne's
muscular dystrophy |
Rhesus
(Rh D) |
| Haemofilia
A and B |
Tuberous
sclerosis |
| Epidermolysis
bullosa |
Crouzon's
syndrome |
| Exclusion
HD |
Di
George's syndrome |
| FAP-Gardner |
Hunter's
syndrome MPS II |
| Phenylketonuria |
Lesch-Nyhan's
syndrome |
| Cistic
fibrosis |
Marfan's
syndrome |
| X-linked
hydrocephalus |
Digital
oro-facial-syndrome type 1 |
| Incontinentia
pigmenti |
Stickler's
syndrome |
| Hyperinsulinemic
hypoglycemia PHH1 |
Fragile
X syndrome |
| Early
onset Alzheimer's disease |
Wiskott-Aldrich
syndrome |
| Charcot-Marie-Tooth's
disease 1 and 2A |
Thalassemia |
| Tabel
2. Translocaties: structuele veranderingen tussen 2 niet-homologe
chromosomen. Types van translocaties reeds behandeld of nog onder
onderzoek. |
Robertsonian
translocaties:
komen voor tussen chromosomen 13, 14, 15, 21, 22 |
Reciprocal
translocaties:
komen voor tussen alle andere chromosomen |
| 13:14 |
1:3 |
| 13:21 |
1:11 |
| 14:21 |
1:22 |
|
2:8 |
|
3:12 |
|
4:15 |
|
4:20 |
|
11:22 |
|
12:13 |
Resultaten
Het centrum van
Dr. Gianaroli (SISMER-Bologna) was een van de eerste centra om deze
techniek op een systematische wijze toe te passen. Door de intense samenwerking
tussen onze beide centra kunnen we dan ook beroep doen op hun expertise
en de vermelde resultaten zijn de weerspiegeling van deze samenwerking.
| Table
3. Resultaten bij patienten met vrouwelijke leeftijd >=38
years (September 1996 – December 2000). |
| N°
cyclussen |
174 |
| Totaal
aantal embryos |
1078 |
| N°
embryos onderzocht |
920 |
| N°
normale embryos (%) |
257 (28) |
| N°
aneuploiede embryos (%) |
655 (71) |
| N°
embryos zonder resultaat (%) |
8
(1) |
| N°
transfers (%) |
107 (61) |
| N°
klinische zwangerschappen (%) |
36 (34) |
| N°
miskramen (%) |
5 (14) |
| Implantatie
rate (%) |
20.0 |
| Table
4. Resultaten bij patienten met >=3 IVF gefaalde IVF behandelingen
(September 1996 – December 2000). |
| N°
cyclussen |
105 |
| Totaal
aantal embryos |
675 |
| N°
embryos onderzocht |
588 |
| N°
normale embryos (%) |
214
(36) |
| N°
aneuploiede embryos (%) |
361
(61) |
| N°
embryos zonder resultaat (%) |
13
(2) |
| N°
transfers (%) |
76
(72) |
| N°
klinische zwangerschappen (%) |
24
(32) |
| N°
miskramen (%) |
1
(4)* |
| Implantatie
rate (%) |
22.4 |
| *Extra
uteriene zwangerschap |
|
|
Table
5. Resultaten bij patienten met afwijkend karyotype toe te
schrijven aan mosaisme van de sex chromosomen (September 1996
– december 2000).
|
| N° cyclussen |
38 |
| Total aantal
embryos |
232 |
| N° embryos
onderzocht |
192 |
| N° normale
embryos (%) |
69
(36) |
| N° aneuploiede
embryos (%) |
118
(61) |
| N° embryos
zonder resultaat (%) |
5
(3) |
| N° transfers
(%) |
27
(71) |
| N° klinische
zwangerschappen (%) |
13
(48) |
| N° miskramen
(%) |
0 |
| Implantatie
rate (%) |
36.2 |
| Tabel
6. Resultaten bij patienten drager van robertsonian of reciprocal
translocaties (September 1996 – December 2000). |
| |
Robertsonian
translocaties |
Reciprocal
translocaties |
| N°
cyclussen |
22 |
15 |
| Total
aantal of embryos |
125 |
86 |
| N°
embryos onderzocht |
107 |
73 |
| N°
normael embryos (%) |
26
(24) |
19
(26) |
| N°
aneuploiede embryos (%) |
81
(76) |
53
(73) |
| N°
embryos zonder resultaat (%) |
0
|
1
(1) |
| N°
transfers (%) |
13
(59) |
9
(60) |
| N°
klinische zwangerschappen (%) |
8
(62) |
2
(22) |
| N°
abortions (%) |
2
(25)* |
1
(50) |
| Implantation
rate (%) |
43.5
|
10.5 |
| *1
miskraam na vruchtwaterpunctie (normaal fetaal karyotype) |
| Tabel
7. Resultaten bij patienten met herhaald miskraam (September
1996 – December 2000). |
| N°
cyclussen |
49 |
| Total
aantal of embryos |
331 |
| N°
embryos onderzocht |
276 |
| N°
normale embryos (%) |
76 (27) |
| N°
aneuploiede embryos (%) |
198 (72) |
| N°
embryos zonder resultaat (%) |
2 (1) |
| N°
transfers (%) |
32 (65) |
| N°
klinische zwangerschappen (%) |
13 (41) |
| N°
miskramen (%) |
1 (8) |
| Implantatie
rate (%) |
25.8 |
|
Tabel
8. Resultaten bij patienten drager van geisoleerde gen defecten
(September 1996 – July 2001).
|
| N°
cyclussen |
15 |
| Total
aantal embryos |
95 |
| N°
embryos onderzocht |
87 |
| N°
normale embryos (%) |
28 (32) |
| N°
gezonde embryos-drager (%) |
42 (48) |
| N°
embryos aangetast voor de onderzochte afwijking (%) |
14
(16) |
| N°
embryos zonder resultaat (%) |
3 (4) |
| N°
transfers (%) |
12 (80) |
| N°
klinische zwangerschappen (%) |
4 (33)* |
| N°
miskramen (%) |
0 |
| Implantatie
rate (%) |
23.5 |
| *Diagnose
bevestigd door latere prenatale diagnose. |
Instructies voor
deelname
Na duidelijke bespreking
op raadpleging zal voor de overgrote meerderheid van de patiėnten de
behandeling bestaan uit een normale cyclus van in vitro fertilisatie.
Voor andere patiėnten met specifieke genetische aandoeningen zullen
bijkomende onderzoekingen noodzakelijk zijn en is samenwerking met een
centrum voor genetica en moleculaire biochemie noodzakelijk. Sommige
van deze onderzoekingen kunnen tot 2 maanden duren.
Eens alle voorafgaandelijke
onderzoekingen uitgevoerd zijn, kan de behandeling met in vitro fertilisatie
worden opgestart.
Wegens de moeilijkheidsgraad
van deze behandelingen zullen ze enkel op vooraf ingestelde periodes
worden uitgevoerd.
Voor deelname dient
een specifiek document te worden ondertekend waarbij toestemming wordt
gegeven tot het uitvoeren van een eicel of embryo biopsie:
Printversie
van dit artikel (229 KB PDF)